Thema: Missen wat je nooit hebt gehad


Toen ze een jaar of 8 was wist ze het zeker: “Als mijn moeder nog geleefd had, mocht ik op paardrijden. Zij hield ook veel van paarden.”

Een jaar later besloot ze me niet meer bij mijn voornaam te noemen. Ze zou voortaan ‘mama’ zeggen, want ze wilde weten hoe het voelde. Na een jaar of twee experimenteren, werd het toch weer mijn voornaam. Zo noemden de anderen in huis mij ook.

In de brugklas ontplofte ze als een docent zei dat ze iets aan haar ouders moest vragen. “Dat is dan simpel, dan ben ik klaar met mijn huiswerk, want dat kan niet.”

In de vierde was ze genuanceerder. “Ik hou van jullie en jullie doen alles wat ouders zouden doen voor hun kind, maar jullie zijn het toch niet. Het voelt anders.” Wat ze mist is gelijkenis qua uiterlijk en qua karakter. “Lijk ik op hen en van wie zou ik die eigenschap toch hebben?”

Bij de presentatie van haar profielwerkstuk (eindexamenonderdeel) vroeg de docent of haar moeder ook kwam. “Ik moest wel zeggen dat mijn pleegmoeder zou komen, want je bent toch mijn moeder niet”, verontschuldigde ze zich thuis.

Ze blijft loyaal aan haar moeder, al weet ze het zeker: “Als mijn moeder nog geleefd had, was ik nooit zo goed opgevoed als nu.”

In dit thema legt Martine Delfos uit hoe dit verschijnsel in elkaar zit. Volwassen pleegkind Maya heeft een persoonlijk verhaal over hoe het bij haar voelt. Voormalig pleegzorgbegeleider Flip vertelt over verschillende pleegkinderen die hij begeleid heeft, pleegkinderen die met de dood van hun biologische ouders werden geconfronteerd. Hij merkte hoe indringend deze verliezen zijn, ondanks het feit dat de kinderen niet bij hun ouders zijn opgegroeid.

‘Missen wat je nooit hebt gehad’ is en blijft een ingewikkeld verschijnsel voor pleegouders en pleegkinderen, maar we weten niet anders, dus we doen het er maar mee.

Lees hier alle artikelen uit het thema ‘Missen wat je nooit hebt gehad’.

 


Kinderombudsman maakt zich zorgen over kwetsbare kinderen


De Kinderombudsman is een belangrijke toezichthouder en adviseur bij het proces van de transitie jeugdzorg. Hij houdt de belangen van kinderen en jongeren scherp in de gaten. Zo heeft hij er bijvoorbeeld aan bijgedragen dat de overheid een onafhankelijke transitieautoriteit heeft ingesteld. Deze moet beoordelen of kinderen en gezinnen in 2015 nog dezelfde benodigde zorg krijgen als nu. Mobiel interviewde Kinderombudsman Marc Dullaert over alle aankomende veranderingen.

Heeft u op dit moment zorgen over de transitie jeugdzorg?
“Ik heb zorgen op korte en op lange termijn. Op korte termijn ligt mijn zorg vooral bij de instellingen voor gespecialiseerde zorg, voor bijvoorbeeld licht verstandelijk gehandicapten of kinderen met complexe gedragsproblematiek. Die instellingen moeten voor 1 april hun budget rond hebben. Er zijn nog te weinig trajecten en behandelplekken besproken door gemeenten. Dat leidt tot grote financiële problemen of sluiting van instellingen. Ik ben op zich blij met de transitieautoriteit, maar de klok tikt heel snel. Waar het mij uiteindelijk om gaat is, dat het niet ten koste van kwetsbare kinderen en jongeren gaat.”

“Mijn grootste zorg op de langere termijn betreft het voornemen dat naast transitie sprake is van transformatie. Een mooi woord voor ‘we gaan de zorg beter maken’. Ik vraag me af of we, gezien de snelheid van het hele proces, wel aan transformatie toekomen.

De gemeentes worden nu verantwoordelijk. We zien dat Denemarken, die een transitie achter de rug heeft, er zes jaar over heeft gedaan. De begintijd, vooral het eerste jaar, is daar gericht geweest op goedkoop inkopen van zorg. Een jaar later heeft men die zorg weer moeten repareren, dat gold met name voor de zwaardere zorg. Het ging ten koste van de kinderen, cliënten, patiënten. Ik hoop dus dat de zorginkoop weloverwogen gebeurt.”

“Ik onderschrijf wel de uitgangspunten van de decentralisatie. Die zijn met name gericht op de zorg dichterbij huis organiseren en op een betere samenwerking tussen de verschillende hulpverleners. De decentralisatie moet ook voorkomen dat er onnodig zware zorg wordt gegeven. Dat zijn allemaal goede uitgangspunten.

Dan blijft natuurlijk staan dat er veel kinderen en jongeren in Nederland zijn die een chronische ziekte hebben en die blijvende zorg nodig hebben. Dus ik maak me met name druk of het hele proces een zachte landing kan hebben of dat er toch kinderen tussen wal en schip vallen.”

Kunnen kinderen in pleeggezinnen met psychische of gedragsproblemen nog wel de juiste zorg in elke gemeente krijgen?
“Het punt is natuurlijk dat als de gemeente gaat bepalen welke zorg er wordt ingekocht, deze kinderen toch langs het gemeenteloket moeten. Ik ben heel erg benieuwd wat er gebeurt als er straks in de gemeente geld is voor twee dure behandelingen en er uiteindelijk drie nodig zijn.

De garantie voor toegang tot de zorg geldt voor alle kinderen en dus ook de kinderen in een pleeggezin. Ik ben ook heel erg benieuwd of de zorggarantie die de staatssecretaris uitspreekt, in de praktijk gewaarborgd wordt.”

Volgens de kinderrechtenmonitor werden de afgelopen jaren meer kinderen in pleeggezinnen geplaatst dan in instellingen. Hoe gaat dat straks in 2015?
‘’Als kinderen in moeilijkheden verkeren, is het veel beter dat ze in pleeggezinnen terechtkomen. Niet dat ze in instellingen niet de juiste zorg zouden hebben, maar een pleeggezin is gewoon een betere omgeving voor een kind. Ik kan niet in een glazen bol kijken wat de transitie gaat betekenen. Ook hier zal de financiële afweging weer veel waard zijn voor gemeentes, maar ik hoop dat ze daarnaast vooral zwaar laten wegen wat in het belang van het kind is.”

In de kinderrechtenmonitor vraagt u het ministerie om meer cijfers over situaties als hoe vaak broertjes en zusjes bij elkaar in een gezin geplaatst worden. Hoe gaat het met het bijhouden van die zaken?
“We zien wel dat de intenties om zorg te leveren goed zijn, maar als u vraagt of we die cijfers al hebben gekregen na deze monitor, dan is het antwoord daarop: ‘nee’. Wij oefenen wel positieve druk uit om deze cijfers te leveren, want het is gewoon van groot belang. De cijfers bieden inzicht in situaties en vooral of die verbeteren of onverhoopt niet. Dan kunnen we sturen. Niets is zo erg als geen inzicht hebben.”

Op 1 april was u drie jaar Kinderombudsman. U heeft veel onderwerpen moeten aankaarten die niet goed zitten. Biedt het werk desondanks voldoening?
“Het biedt grote voldoening, want het is niet alleen het aankaarten van dingen die niet goed gaan. Wij hebben bijvoorbeeld aan gemeenten gevraagd om specifiek armoedebeleid te ontwikkelen met een kinderpakket (daarin zitten bijvoorbeeld een buskaart, bibliotheekpas of is zwemles geregeld, red.). Letterlijk elke week is er wel een gemeente die het kinderpakket omarmt.

Ook heb ik het mentorschap voorgesteld voor kinderen die, als ze volwassen worden, uit de jeugdzorg gaan. Daar wordt nu serieus naar gekeken door de overheid.’’

Zorgen van pleegouders
Ook pleegouders of mensen die op een andere manier met pleegzorg te maken hebben, hebben wel een idee welke onderwerpen de Kinderombudsman onder de aandacht moet brengen.

Pleegmoeder Maud haakt in op het onderwerp dat Marc Dullaert onlangs heeft aangekaart bij de Tweede Kamer: “Ik wil graag aandacht voor de 18-plussers in pleegzorg. Onze ervaring is dat zij aardig in de kou komen te staan. Als 18-jarige hebben onze pleegkinderen iedereen, de hulpverlening incluis, de rug toegekeerd om na een jaar of anderhalf met hangende pootjes met problemen en vooral met grote schulden terug te keren. Wie moet dit oplossen? Zij zelf kunnen dit niet. Ze hebben heel veel problemen die niet in een normale hulpverleningsomgeving passen.”

Pleegmoeder Floor maakt zich zorgen over de positie van illegale kinderen in Nederland. “In de nieuwe Jeugdwet hebben kinderen zonder verblijfspapieren geen recht op zorg. Er komt wel een aparte regeling voor deze kinderen in de vorm van een ‘uitvoeringsbesluit’. Met deze regeling wil het kabinet voorkomen dat illegale kinderen zich verder wortelen in Nederland en dat het terugkeerproces van het gezin wordt gefrustreerd. Plaatsing van illegale kinderen in een pleeggezin heeft daarom geen voorkeur van het kabinet. Er is veel onduidelijkheid over de hulp die illegale kinderen mogen krijgen. Ik vind het triest dat deze kwetsbare kinderen niet hetzelfde recht op zorg hebben als andere kinderen. In mijn ogen is dat discriminatie.”

Ook Fatih (kinder- en jeugdpsycholoog en aankomend pleegvader) is bezorgd om illegale kinderen: ‘’De Eerste Kamer heeft de Jeugdwet officieel aangenomen. De gemeenten worden verantwoordelijk voor het leveren van alle jeugdhulp. Ook het wetsvoorstel voor het verplicht gebruik van het burgerservicenummer (BSN) in de jeugdzorg is aangenomen. Wat gaat er dan gebeuren met illegale kinderen?”

Pleegmoeder Caroline (werkzaam bij een pleegzorgvoorziening, werving en selectie) vindt het voorbereidingstraject, de zorgvuldige matching en de deskundigheidsbevordering van pleegouders erg belangrijk in haar werk. Een onderdeel daarvan: “Als aspirant pleegouders klaar zijn met het voorbereidingstraject en er is geconstateerd dat zij voldoen aan de zes criteria, dan vind ik de zorgvuldige matching heel belangrijk. De Kinderombudsman moet heel goed opletten dat daar niet te gemakkelijk over gedacht gaat worden. Zo van: we hebben drie wachtende gezinnen en drie wachtende kinderen, dus dat is ook weer opgelost. In crisissituaties kan er niet zorgvuldig gematcht worden natuurlijk, maar bij kort- en langverblijfpleegzorg is daar wel de mogelijkheid voor.”

======
Kader

======

Kinderombudsman. Wat doet hij precies?
Op de website van de kinderombudsman staat een heldere omschrijving: “De Kinderombudsman controleert of de kinderrechten in Nederland worden nageleefd door de overheid, maar ook in het onderwijs, de kinderopvang, jeugdzorg en de gezondheidszorg. De Kinderombudsman adviseert het parlement en organisaties en maakt mensen bewust van de kinderrechten. Op die manier verbetert hij de positie van kinderen en jongeren in Nederland. De Kinderombudsman adviseert kinderen en jongeren over manieren waarop ze voor hun rechten kunnen opkomen.”

In de media
De afgelopen tijd heeft de Kinderombudsman regelmatig van zich laten horen.
‘’De Kinderombudsman is geschrokken van de conclusies van de Transitiecommissie Stelselwijziging Jeugd.’’
“Invoeren jeugdwet onverantwoord zonder garanties voor kwetsbare kinderen.”
“Kinderombudsman: verlies LVB-jongeren niet uit het oog.”
“Ouders moeten in gesprek met hun kinderen over internetgevaren.”
“Kinderombudsman vraagt gemeenten naar aanpak kindermishandeling.”
“Aanpak voor kinderen in armoede moet beter.”
“Kinderombudsman en VNG pleiten voor rechtvaardiger kinderpardon.”
Bron: http://www.dekinderombudsman.nl/68/nieuws/

Paspoort Marc Dullaert, eerste Kinderombudsman van Nederland
Geboren: 1963 in Zutphen.
Studies: Theologie, licentiaat Sociale Wetenschappen/Communicatiewetenschap, MBA.
Loopbaan:
• Kinderombudsman sinds 1 april 2011
• Oprichter en bestuursvoorzitter van de Stichting KidsRights (doel: verbeteren en behartigen van kinderrechten voor kinderen in ontwikkelingslanden)
• Grondlegger van de Internationale Kindervredesprijs en voorzitter van het Children’s Peaceprize expertcomité
• Plan Nederland
• CEO en aandeelhouder van Europese D&D mediagroep
• Ivo Niehe Producties, algemeen directeur en aandeelhouder


Voor het eerst naar het buitenland


Op het eerste metrostation ging het direct mis. Ons gezin met drie eigen kinderen en twee pleegdochters was in Parijs. Voor de pleegzussen van 12 jaar was het de eerste ervaring in het buitenland. Hun vader had ons, als pleegouders, vooral verzocht om voorzichtig te zijn in zo’n grote stad met zwervers en zakkenrollers. Natuurlijk beloofden wij om zijn dochters goed in de gaten te houden en veilig terug te brengen na een week. Op de eerste dag gingen we vanaf een buitenwijk van Parijs, op weg naar de Eiffeltoren, het Louvre en de Champs-Elysées. Een tussenstop bij de bakker leverde verbaasde blikken op bij onze ‘pleegmeiden’. “Oh, hebben ze hier alleen maar stokbrood?” We kochten kaartjes en de kinderen leverden hun mobiele telefoons in bij mij of mijn vrouw. “Je weet immers nooit met die zakkenrollers.”

De metro kwam en terwijl wij als volwassenen nog twijfelden of dit de goede lijn was, stapten drie meiden al in. De deuren gingen dicht en de metro verdween uit beeld. Onze drie pubermeiden, waaronder een van de pleegkinderen, verdwenen zonder volwassenen en zonder telefoons in de richting van Parijs. Gelukkig konden we ons op het volgende station herenigen. Opgelucht gaven we de telefoons terug, want beter een telefoon kwijt dan een kind! Na een week brachten we de kinderen weer veilig thuis. Van zwervers en zakkenrollers hebben we geen last gehad. <

Peter

 


Hij kan het weten


Michael en ik hebben de hond uitgelaten. Het dier heeft de drukte en de altijd aanwezige onrust van Michael over­genomen. Ze rukt aan haar riem van ongeduld, ze blaft en luistert niet naar de gewone commando’s. Thuisgekomen wil ik even op mijn strepen staan, zodat de hond in ieder geval rustiger naar binnen gaat. Anders gaat haar onrust in huis versterkt door. Mijn commando’s komen nog steeds niet binnen. ‘Zit’ wordt niet opgevolgd. De hond blijft hijgend staan draaien en trekken aan haar riem. Ik wacht af.

Michael heeft er genoeg van. “Ik zou maar luisteren als ik jou was, want zij gaat echt niet naar binnen hoor”, zegt hij tegen de hond. “Dat kan heel lang duren. Ze blijft net zolang staan tot je zit.”

Dat klopt en Michael kan het weten. Een lekke band na de voetbaltraining? Ik kom hem niet ophalen met de auto. Dat wordt lopen met de fiets. Desnoods wandelen we samen. Of die keer op fietsvakantie in Limburg? Michael heeft al driekwart van de berg genomen, dan gooit hij zijn fiets aan de kant en zegt: “Ik ga wel lopen.” Hij gaat op pad en ik wacht. Na een klein half uurtje komt hij terug. Hij stapt op zijn fiets en rijdt verder.

Michael kan het dus weten. De hond weet het nu ook, want ze zit keurig en kijkt me met haar hondenogen aan. Dan stapt ze rustig mee naar binnen. <

 


Weer thuis


Nu Jan thuis woont, is de pleegzorg ten einde. Ik heb het eindgesprek gehouden en mijn begeleiding is gestopt, maar er is een nieuwe begeleidster die nog contact met het gezin houdt. Die begeleidster en ik kennen elkaar van een eerdere werkplek.

Voordat Jan bij zijn moeder kon gaan wonen, is er veel werk verzet. De moeder van Jan heeft een verstandelijke beperking. Dus ondanks de grote wens dat Jan weer thuis kwam wonen, moest er goed gekeken worden of alle voorwaarden op orde waren. Is er genoeg geld? Is er hulp voor als het wel een keer fout gaat? Is Jan zelfstandig genoeg? Uiteindelijk hebben we de sprong gemaakt en inmiddels woont de 16-jarige Jan alweer een jaar bij zijn moeder.

Vorige week werd ik gebeld door de nieuwe begeleidster.
Er zijn zorgen, want er is soms ruzie in huis. Moet hij misschien toch weer uit huis? Ze wil even overleg met iemand die het gezin kent.

Al pratende komen we er op uit dat de boze buien van Jan eigenlijk een nieuwe stap in zijn ontwikkeling zijn. Nu hij eenmaal thuis is, valt het soms ook tegen. Daar moet hij mee om leren gaan. Niet door weer uit huis te gaan, maar door thuis hulp te krijgen.

Zo blijkt maar weer dat hulpverlening niet stopt als het op papier is gestopt. In het geval van Jan ben ik blij dat ik in ieder geval nog een lijntje heb lopen. <

 


Tegenwind kan geen kwaad, je leert er veel van


Een jongen van 16 jaar die zomaar op je pad komt en in jouw ogen een gezin nodig heeft. Wat brengt dat teweeg? De netwerkpleegouders Christien en Marco vertellen over de mooie en moeilijke momenten in de zorg voor Peter.

Wat is de samenstelling van jullie gezin?
Christien (51) en Marco (48) hebben twee kinderen: Alex (19) en Tara (17) en pleegzoon Peter (19).

Hoe kwamen jullie ertoe om pleegouder te worden?
“We hadden het er al meerdere malen over gehad, maar we waren huiverig van instanties en gesprekken met allerlei mensen. Op een gegeven moment kwam Tara met Peter thuis. Hij was toen 16 jaar. Hij bleek in een tehuis te wonen. Toen vonden we het tijd om pleegzorgactie te ondernemen en hebben we zelf het initiatief genomen en ons aangeboden als netwerkgezin voor Peter. Jeugdzorg vond het vanwege zijn ernstige hechtingsproblemen geen goed idee dat hij in ons gezin zou komen wonen en zijn moeder hield de boot ook af. We gingen hem iedere zondag ophalen en hij ging ook met ons mee op vakantie. Dat hebben we zo een half jaar gedaan. We hebben nooit commentaar gegeven, maar ons plan ook niet opgegeven. Op een gegeven moment ging hij naar een gezinshuis en werden wij officieel zijn weekend- en vakantiegezin. Langzaam veranderde dat in een week hier en een week daar, totdat hij tenslotte toch helemaal bij ons woonde.”

Hoe reageerde de omgeving en jullie familie op het pleegouderschap?
“Iedereen reageerde positief, hoewel sommigen ook wel vroegen: ‘Waar beginnen jullie aan?’ Peter was bij iedereen zeer welkom.”

Hoe ziet de begeleiding eruit en voorziet die in de behoefte?
“Peter en wij hebben begeleiding van de pleegzorgwerker en die is prima. Peter heeft daarnaast ook nog een JPP-er, dat is iemand van het JeugdPreventiePlan. Het is ambulante hulp om Peter te leren dat hij zelf actief zijn zaken moet regelen: zijn werk, financiën en dergelijke. Hij moet zelf voor die hulp aankloppen, maar hij begrijpt nog steeds niet dat hij het heft in handen moet nemen. Daarnaast gaat hij nog naar een beeldend therapeut en leert daar creatief te uiten hoe hij zich voelt.”

Waar hebben jullie steun bij nodig, waar zijn jullie onzeker over?
“Ik weet niet hoe ik hem zo kan triggeren dat hij gaat zien dat hij de kapitein van zijn schip is en niemand anders. Die JPP-er probeert dat, maar er zijn al drie sessies voorbij en ik zie nog geen resultaat. We gaan inzetten op voortzetting van de verlengde pleegzorg en ondertussen wordt ook de gang naar kamertraining ingezet.”

Hoe ziet het contact met ouders en familieleden eruit?
“Zijn vader kent hij niet, met zijn moeder heeft hij geen contact meer. Hij heeft weleens wat telefonisch of facebookcontact met zijn halfbroertjes. Verdere familie kent hij niet.”

Welke praktische problemen komen jullie tegen?
“Alex en hij delen een kamer en het zou geweldig zijn als ze allebei een eigen kamer zouden hebben.”

Hoe gaan jullie kinderen met Peter om?
“Ongelooflijk loyaal. Peter is een keer weggelopen. Hij had genoeg van de regels hier in huis en hij ging naar twee ‘vrienden’ die op een flatje woonden. Hij kwam nog wel op woensdag en zondag in ons gezin eten en hij kwam ook naar zang- en keyboardles. Hij merkte dat wij veel om hem gaven en dat Alex en Tara het heel erg vonden dat hij was weggegaan. Dat deed hem wat. Er was dus toch hechting ontstaan! Hij heeft gevraagd of hij terug mocht komen. We hebben met elkaar overlegd en de consequenties van ja en nee besproken. We hebben tenslotte geconcludeerd: we zijn eraan begonnen, we maken het ook af.”

Zijn er momenten waarop jullie denken: We hadden er nooit aan moeten beginnen?
“Nee, ’t is flauw om af te haken bij tegenwind. We hebben behoorlijk wat tegenwind, maar we willen blijven zien dat het hoort bij de processen waarin hij zit. Tegenwind kan geen kwaad, je leert er veel van.”

Beschrijf een ervaring die illustreert: Daar doe ik het voor.
“Dat zijn wel meerdere momenten, bijvoorbeeld toen hij na drie weken wonen in dat flatje, weer terugkwam.
Soms slaat hij ineens zijn armen om me heen en zegt: ‘Hé Moeti!’
Toen we met elkaar in De Efteling waren, grapte ik dat ik later in een rolstoel in De Efteling zou zijn en toen zei hij: ‘Dan zal ik je duwen, hoor!’
Op zulke momenten denk ik: We hebben plantjes gepoot, misschien zullen we later oogsten.” <