Van kennismaken tot vertrouwen

Als een kind in een pleeggezin wordt geplaatst dat het nog niet kent, voelt het zich een vreemde eend in de bijt. Alles is nieuw: de mensen, de omgeving, de geur, de gewoontes en gebruiken, de manier van omgaan met elkaar. Na alles wat het kind thuis heeft meegemaakt, is het alles kwijt wat het had en moet het zich in deze nieuwe omgeving zien te redden. Hoe goed of hoe vlot dat gaat, hangt af van de voorgeschiedenis, de leeftijd, de gehechtheid van het kind en het klimaat in het pleeggezin.

Op het moment van de plaatsing is er nog helemaal niets tussen pleegouders en pleegkind. Toch wordt er van het kind verwacht dat het zich conformeert aan het gezin. Hoe anders gaat dat wanneer een kind bij zijn ouders opgroeit. Vanaf het prilste begin houden de ouders van hun baby en komt de emotionele ontwikkeling tot stand. Als het kind groter wordt, gaan de ouders werken aan de morele ontwikkeling. Omdat het kind de liefde van de ouders niet wil verliezen, is het in staat zich aan gezinsregels en afspraken te houden: geen geweld gebruiken, niet liegen, je eigen spullen opruimen en dergelijke. De onbegrensde wereld wordt op die manier begrensd.

Bij pleegkinderen gaat dit proces precies andersom: het kind komt eerst in aanraking met de morele ontwikkeling door de leefregels in het gezin. Van een emotionele band tussen pleegouders en pleegkind is dan nog geen sprake en pleegouders kunnen daar dus ook geen beroep op doen. Emotionele groei en dus basisvertrouwen en wederkerige verbondenheid van het pleegkind in het pleeggezin komt pas na verloop van tijd tot stand.

De ingroei in het pleeggezin kun je in drie fases verdelen. Bij het ene kind gaat het proces sneller dan bij het andere kind, soms een paar weken, soms een paar maanden. Vooral jonge kinderen gaan zich tamelijk snel hechten aan nieuwe verzorgers.

Logeergedrag
In de eerste fase is allereerst een gedegen kennismaking van belang. In het begin zie je dat het pleegkind zich vooral op een van de twee pleegouders richt en pas na verloop van tijd wat meer gaat delen met de andere pleegouder. Het is ook de fase van gewenning aan de situatie, aan de eventuele eigen kinderen en aan de gewoontes in het gezin. Ieder gezin heeft gebruiken of uitdrukkingen die voor de gezinsleden volkomen duidelijk en normaal zijn, maar voor het pleegkind nog niet. In deze fase laat het pleegkind vaak ‘logeergedrag’ zien: het past zich volledig aan het gezin aan, houdt zich keurig aan de regels en zorgt dat er niets op hem aan te merken is. Het kind lijkt zich heel soepel in te voegen, maar in wezen durft het nog niet zichzelf te zijn.

Morele ingroei
De tweede fase is een overgangsfase: van wennen naar zich thuis voelen. Het kind gaat de gezinseigen gewoontes herkennen en zich eraan aanpassen. De morele ingroei vindt plaats. Ook zie je dat de gezinsleden zich herschikken en dat het pleegkind een vanzelfsprekende plaats gaat innemen in de gezinsrij. In deze fase kan er een begin van een veiligheidsgevoel bij het kind ontstaan en daardoor ook een begin van een relatie met de pleegouders. Er is echter nog vaak sprake van een ‘emotioneel vacuüm’. Dan is er dus nog geen emotionele ingroei.

Emotionele ingroei
In de derde fase worden de relaties tussen het pleegkind en de pleegouders en de andere gezinsleden intenser en vindt de emotionele ingroei plaats. Er ontstaat basisvertrouwen en daarmee kan het kind de gevoelens van onzekerheid, angst en spanning beter aan. De plaatsing en ingroei in een pleeggezin vraagt zoveel van het kind, dat er pas in deze fase een duidelijk beeld van het kind ontstaat. Daarom is het ook beter te wachten met het stellen van diagnoses, zoals bijvoorbeeld ADHD, tot deze fase achter de rug is.

Pleegouders kunnen hun pleegkind door de drie fases heen helpen door duidelijk te zijn, gerust te stellen, het kind te helpen op een geschikte manier gevoelens te uiten en het kind de tijd te geven om te herstellen. Het helen van een gebroken been duurt lang, herstel na een uithuisplaatsing ook!

*****************************************************
Doen jullie dat altijd zo?

Milou kwam als driejarig meisje in het pleeggezin van Jaco en Marjo. Het was een kind dat de hele dag praatte en dingen vroeg. In de eerste fase waren dat steeds dingen als: “Doen jullie dat zo?” “Leggen jullie een kleed op tafel als jullie gaan eten?” “Mogen jullie niet over de bank lopen?” Dat vragen nam af naarmate Milou langer in het pleeggezin woonde.  In de derde fase hoorde Marjo haar aan een vriendinnetje vertellen: “Wij eten altijd frietjes op zondag!”

*****************************************************

NASCHRIFT
Bron: Cursusmateriaal van Juzt Breda, geschreven door Marieke van den Elsen en Marion Kruis.


Tags: , ,