Pleeggezin en gezinshuis

ANDERE TAK VAN SPORT OF TOCH NIET?

Het afgelopen jaar werd er alarm geslagen: Het aantal pleeggezinnen loopt terug. De uitstroom van pleegouders is groter dan het aantal nieuwe pleegouders dat zich aanmeldt. Tegelijkertijd was er ook goed nieuws. Het aantal gezinshuizen stijgt onder invloed van politieke keuzes van 389 in 2011 naar 774 in 2016NOOT1. Wie bepaalt eigenlijk dat een kind naar een gezinshuis gaat of juist naar een pleeggezin en zijn daar richtlijnen voor?

Pleegzorg en gezinshuiszorg hebben veel gemeen. Dat is ook de reden dat tijdschrift BIJ ONS zich niet alleen richt op pleeggezinnen, maar ook op gezinshuisouders. Veel inhoudelijke thema’s zijn vergelijkbaar. Denk aan herstel van het gewone leven, veiligheid, samenwerken met ouders, hechting en traumaverwerking. Er zijn ook verschillen. Zo zijn de begeleiding, organisatie en betaling in gezinshuizen anders georganiseerd dan in pleeggezinnen.

Regie in eigen hand
Monica Zonneveld is jaren pleegmoeder geweest, maar besloot in 2014 samen met haar partner om gezinshuisouder te worden. Op dit moment wonen er drie kinderen bij haar in huis. Over de vraag waarom ze de overstap heeft gemaakt, is ze duidelijk: “Gezinshuisouders voeren zelf de regie in huis en dat kan bij pleegzorg niet. Ook kunnen mijn partner en ik er allebei volledig zijn voor de ontwikkeling van de kinderen, doordat het geld anders is georganiseerd. Pedagogisch beleid, rapportage, organisatie, huisvesting en financieel beleid regelen we allemaal zelf. Ook organiseren we onze eigen begeleiding en gedragskundige ondersteuning. Bevalt de samenwerking niet? Dan zorgen we voor andere begeleiding of ondersteuning. Zijn de grenzen bereikt? Dan zoeken we zelf een oplossing en nemen we zelf een beslissing. Daarnaast zijn we ook gewoon beroepskrachten die betaald willen worden voor het werk dat we doen.”

*********************************************
Definitie gezinshuis
Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) geeft de volgende omschrijving: ‘In een gezinshuis worden kinderen en jongeren opgenomen in de leeftijd van nul tot en met achttien jaar. Zij komen uit gezinnen waar de opvoedingsproblemen dusdanig zijn opgelopen dat ze uit huis geplaatst zijn. Het kan ook gaan om kinderen en jongeren die uitbehandeld zijn in een orthopedagogisch of jeugdpsychiatrische instelling en waarbij terugkeer naar de eigen thuissituatie niet mogelijk is. Het gezinshuis biedt verzorging, opvoeding en behandeling.’

Drie vormen
Er zijn drie soorten gezinshuizen. Een gezinshuis kan onderdeel zijn van een zorgaanbieder. De gezinshuisouders zijn dan in dienst van een residentiële instelling die financiën, begeleiding, pedagogisch beleid en oudercontacten regelt. De gezinshuisouders verzorgen en behandelen de kinderen, schrijven de behandelplannen en rapportages. Een gezinshuis kan ook een franchiseonderneming zijn. Dan zijn de gezinshuisouders zelfstandig ondernemer en staan ze ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Ze zijn aangesloten bij een van de drie door de factsheet GezinshuizenNOOT1 genoemde franchiseorganisaties: Driestroom, Gezinshuis.com en Omega. Die zorgen onder andere voor de screening en begeleiding van de gezinshuisouders. Tot slot zijn er volledig zelfstandig opererende gezinshuizen.

Verschil pleegouders en gezinshuisouders
In feite kan iedereen die dat wil gescreend worden om pleegouder te worden en bij een positief resultaat pleegkinderen opvangen. Pleegouders krijgen een vergoeding voor onkosten en vangen doorgaans kinderen op naast hun reguliere werk. Gezinshuisouders oefenen met de opvang van kinderen hun beroep uit. Zij verdienen een inkomen met de opvang omdat ze hiervoor geschoold zijn en professionele ervaring hebben om deze doelgroep te kunnen begeleidenNOOT2.

Gezinshuis of pleeggezin
Formeel krijgen kinderen een pleegzorgindicatie, dan wel residentiële indicatie voor gezinshuiszorg, maar wat dat precies inhoudt is niet duidelijk. Volgens Gezinshuis.com wonen in een gezinshuis kinderen die door hun problematiek niet in een pleeggezin kunnen wonen. Vaak is dat al wel geprobeerd en is de pleeggezinplaatsing uitgelopen op een breakdown(ongewild afgebroken plaatsing). 80 tot 85 procent van de kinderen in een gezinshuis heeft hechtingsproblematiek en een complex traumaNOOT2.Rob de Munck, bestuurder van Gezinshuis.com zegt hierover in Mobiel 2 (2017): “Kinderen in een gezinshuis hebben meerdere en zwaardere problemen, bijvoorbeeld door een traumatische gebeurtenis.” Toch zie je ook in pleeggezinnen veel kinderen die aan deze criteria voldoen. De percentages zijn niet vergelijkbaar, maar complex trauma en zeker hechtingsproblematiek komen veel voor.
***********************************************

Vraag en aanbod
Hoe en door wie wordt er bepaald of een kind naar een gezinshuis of een pleeggezin gaat?Het blijkt een moeilijke vraag te zijn waarop plaatsende instanties niet direct een inhoudelijk antwoord kunnen geven. Gezinshuis.com ontwikkelt momenteel een kwaliteitskader, waardoor er mogelijk op korte termijn meer duidelijkheid komt over het onderscheid. De Hogeschool Leiden, in de persoon van Peer van der Helm, helpt hierbij. In een volgende editie van BIJ ONS zullen we hier meer over schrijven.

Wethouder Pieter Neven van Gemeente Krimpenerwaard heeft aan zijn ambtenaar, Michel Mulderij gevraagd om een antwoord op bovengestelde vraag te formuleren. Mulderij schetst eerst de weg die kan leiden tot een uithuisplaatsing. Dan vervolgt hij: “Vraag en aanbod kunnen ook een rol spelen. Als er in een drukke periode geen plaatsen meer beschikbaar zijn in een pleeggezin of gezinshuis, dan zal de jeugdbeschermer of gemeente naar alternatieven kijken, zoals plaatsing in een crisisopvang.” Volgens Mulderij speelt diagnostiek doorgaans geen doorslaggevende rol bij het plaatsen van kinderen. “In een aantal gevallen is het wel wenselijk dat er meer duidelijkheid is over het gedrag en de behoeftes van het kind. Als een kind gedragsproblemen laat zien, zal een diagnose autisme tot een andere plaatsing kunnen leiden dan een diagnose hechtingsstoornis.”

Redactielid en pleeggezinbegeleider Karin Zanin merkt in de praktijk zeker dat vraag en aanbod een rol speelt. “Dat geldt vooral voor de kleintjes. Kinderen van drie tot vijf jaar worden steeds vaker in gezinshuizen geplaatst vanwege heftige problematiek: complex trauma door ernstige verwaarlozing of misbruik. Deze kinderen gun je een pleeggezin, maar we weten ook wat daarvoor nodig is: pleegouders die stevig in hun schoenen staan, periodes vanuit neutraliteit kunnen opvoeden, maar ook weer de switch kunnen maken naar opvoeden vanuit hechting. Dit is een lastige combi die we niet zomaar van ‘vrijwillige’ pleegouders kunnen vragen. Ook omdat zij vaak nog werken. Dan wordt soms toch gekozen voor een kleinschalig gezinshuis, ook omdat we een breakdown willen voorkomen.”

Mazzel of visie
Op de pleegouderkoffiegroep, waar Monica Zonneveld en ik lid van zijn, staan we ook stil bij de keuze voor een pleeggezin of gezinshuis. Pleegmoeder Martha vertelt: “Twee dagen nadat we ons weer beschikbaar hadden gesteld voor crisisopvang, werd ik gebeld. Er werd opvang gezocht voor een meisje van bijna vijf. ’s Middags werd ze al gebracht. Het leek me een leuk, maar heel angstig meisje. Ze had veel nachtmerries. Een paar weken later kwam de voogd op bezoek, die wilde weten hoe het met dit heel ingewikkelde meisje ging. Ik vertelde dat het een leuke, slimme griet is en dat ze goed bij de andere kinderen past. De voogd vroeg hoe lang het meisje mocht blijven, maar daar hadden mijn man en ik nog niet over nagedacht. We wilden haar niet zomaar wegsturen. Er was geen perspectief op terugplaatsing. Na wat doorpraten, viel het besluit dat het meisje mag blijven tot ze groot is.” De vraag is of hier enige afweging heeft plaatsgevonden over diagnostiek en waar het ernstig getraumatiseerde meisje het beste terecht zou kunnen. Het lijkt een gelegenheidsvraag met mazzel voor de voogd of zou er meer visie achter zitten?

Er komen ook voorbeelden voorbij waarbij uit praktische overwegingen de indicatie pleegzorg in gezinshuiszorg is veranderd of andersom. Een jongen die in een gezinshuis woont waar de gezinshuisouders ermee stoppen, kon, na een raadsonderzoek worden ‘omgekat’ naar pleegkind zodat hij kon blijven. Andersom kon een pleegdochter wiens pleegouders gezinshuisouders werden de indicatie gezinshuiszorg krijgen als louter administratieve handeling van haar voogd.

Manier van werken
Als Monica en ik na afloop buiten napraten over het verschil tussen pleegkinderen en gezinshuiskinderen, zegt Monica: “Ik weet het verschil. Toen ik in de rol van pleegmoeder zat, wilde ik de kinderen opvoeden als mijn eigen kinderen en ze volledig opnemen in mijn gezin. Nu ik gezinshuisouder ben, lever ik individuele zorg. Ik begeleid de kinderen hand in hand. Ik probeer hen te laten ontwikkelen naar wie ze zelf zijn.”

Het verschil in de manier van werken in een pleeggezin en een gezinshuis lijkt een veel groter verschil dan de soort problematiek van het kind. Een gezinshuisouder heeft een pedagogische beroepsopleiding. Daardoor kan deze bewust afstand en nabijheid hanteren naar een kind, afhankelijk van de behoeften en de mogelijkheden van het kind.Pleegouders ‘verwachten’, vaak onbewust, toch wederkerigheid in de relatie. In pleeggezinnen gaan kinderen regelmatig ‘mama’ zeggen tegen de pleegmoeder. Dat kom je in een gezinshuis niet vaak tegen.

Ook de begeleiding in gezinshuizen is anders ingericht dan in pleeggezinnen. In gezinshuizen wordt veel aandacht besteed aan zelfreflectie.  Monica: “Je moet als gezinshuisouder ‘zelf bewust bekwaam’ handelen. In vakjargon heet dit agogisch handelen. Je bent je bewust van je verwachtingen van in huis geplaatste kinderen en of die reëel zijn. Onze verwachtingen toetsen we eenmaal in de zes weken aan de koffietafel met een gedragsdeskundige. Waar nodig stellen we onze verwachtingen bij, zodat het kind binnen zijn eigen grenzen kan blijven functioneren.”

Grijs gebied
Het opvoeden van pleegkinderen en gezinshuiskinderen heeft veel raakvlakken, maar er zijn ook verschillen. Met name de professionele werkwijze van gezinshuisouders en de regie die ze zelf mogen voeren over hun werk is een wezenlijk verschil met hoe pleegouders hun ‘werk’ moeten doen. De ‘zorgzwaarte’ van gezinshuiskinderen is mogelijk een onderscheidend criterium, maar dan moet er een instrument ontwikkeld worden om het te kunnen meten, net zoiets als de Child Behavior Checklist(CBCL). Momenteel lijkt het diagnostisch onderscheid tussen beide groepen kinderen een grijs gebied en misschien wel meer afhankelijk van beschikbaarheid dan van beleid. Het zou goed zijn om daar meer inzicht in te krijgen.

NOO1: Factsheet Gezinshuizen 2016 (Gezinspiratieplein)
NOOT2:Veelgestelde vragen over gezinshuizen (online magazine BIJ ONS 5, 2017)


Tags: ,