Positieve ontwikkeling van pleegkinderen

‘Wat is belangrijk voor een positieve ontwikkeling van een pleeg­kind?’. Deze vraag stond centraal in het pro­mo­tie­onderzoek dat ik aan de Univer­siteit Leiden heb uitgevoerd in samen­werking met diverse pleegzorgaanbieders. Naast uitgebreid systematisch literatuur­onder­zoek hebben we pleegouders, gedurende één jaar, drie keer gevraagd een online vragenlijst in te vullen over hun pleeg­zorgervaring en hun pleegkinderen. Ruim 550 pleegouders vulden deze vragen­lijsten in. Het betrof zowel netwerk- als bestandsplaatsingen. De pleegkinderen waren tussen de 0 en 18 jaar.

Net als in vele andere onderzoeken zien we ook in ons onderzoek dat pleegkinderen verschillen. Ongeveer 45 procent van de pleegouders rapporteert dat hun pleegkind geen gedragsproblemen ervaart. 55 procent van de pleegouders geeft aan dat hun pleegkind internaliserend (bijvoorbeeld droevig, teruggetrokken) of externaliserend (bijvoorbeeld agressief, druk) gedrag laat zien. Met name pleegkinderen die al extra ondersteuning ontvangen, bijvoorbeeld via interventies, hebben meer gedragsproblemen.

Dit voelt tegenstrijdig aan. Je hoopt immers dat extra onder­steuning gedragsproblemen doet verminderen. Een mogelijke verklaring is, dat kinderen die dit het meest nodig hebben, inderdaad interventies ontvangen. Het is belangrijk om te vermelden dat voor de kinderen die geen extra ondersteuning ontvangen, ook behoorlijk veel gedragsproblemen gerappor­teerd worden. Om te voorkomen dat problemen verergeren, hebben deze pleegkinderen mogelijk ook extra onder­steuning nodig.

Aardig en behulpzaam
We hebben ook prosociaal (bijvoorbeeld behulpzaam, aardig) gedrag van pleegkinderen onderzocht. Pleegkinderen van pleegouders die minder vaak denken over stoppen met pleegzorg vertonen meer prosociaal gedrag. Dit suggereert dat het belangrijk is dat pleegouders zich sterk binden en committeren aan de pleegzorgplaatsing. We hebben dit zelf niet onderzocht, maar eerder onderzoek wijst op de rol van pleegzorgprofessionals. Zij kunnen pleegouders ondersteunen en er zorg voor dragen dat pleegouders gemotiveerd blijven en zich gesterkt voelen in hun pleegouderschap.

Wisselwerking tussen pleegkinderen en pleegouders
Ongeveer 40 procent van de pleegouders ervaart veel stress in het opvoeden van hun pleegkinderen. Dit is meer dan ouders in ‘gewone’ gezinnen. Ouderlijke stress hangt sterk samen met gedragsproblemen van pleegkinderen. We hebben onderzoek gedaan naar de wisselwerking tussen pleegkinderen en pleegouders. Hoe reageren zij op elkaar? Is het mogelijk dat ze elkaars gedrag in stand houden of versterken? Ons onderzoek met meerdere meetmomenten laat zien dat gedragsproblemen bij pleegkinderen op een eerste meetmoment ouderlijke stress voorspellen op een later meetmoment. Ouderlijke stress op een eerste meetmoment voorspelt echter niet gedragsproblemen van pleegkinderen op een later meetmoment. Dit betekent overigens niet dat pleegouders geen stress ervaren, maar wel dat hun stress niet voorspellend is voor het probleemgedrag van hun pleegkinderen. Een mogelijke verklaring is, dat pleegouders tot op zekere hoogte het vermogen hebben hun stress te reguleren. Het lijkt erop dat ze hun pleegkinderen niet belasten met hun eigen stress. Misschien zijn pleegouders hiertoe in staat doordat ze vaak een bewuste keuze maken om pleegouder te worden en wellicht ook vanwege de voorbereidingscursussen.

Een andere bevinding is dat ouderlijke stress en gedragsproblemen tijdens de looptijd van het onderzoek weinig veranderden. Er trad geen verbetering op. Deze bevinding sluit aan bij ons uitgebreide internationale literatuuronderzoek. Het benadrukt nogmaals het belang voor pleegzorgprofessionals om alert te zijn op gedragsproblemen bij pleegkinderen, maar ook op signalen van ouderlijke stress bij pleegouders.

Extra steun
Ons onderzoek laat zien dat sommige pleegkinderen en pleegouders een extra steuntje in de rug goed kunnen gebruiken. Hoe zorgen we ervoor dat we op tijd weten wie extra ondersteuning nodig heeft? Binnen de pleegzorg­praktijk en bij onderzoekers is gelukkig steeds meer aandacht voor het ‘in de gaten houden’ van pleegkinderen, ook wel screening en monitoring genoemd. Dit maakt vroege signalering van gedragsproblemen en het risico op vroeg­tijdige beëindiging van pleegzorg mogelijk. Screening en monitoring vraagt om systematische, regelmatige en zorgvuldige toepassing van goede instrumenten, zoals vragenlijsten. Bestaande vragenlijsten bieden een goed uitgangspunt, maar gaan niet in op alle ontwikkelingsproblematiek waar juist pleegkinderen een verhoogd risico op hebben, zoals trauma- en hechtingsproblematiek.

Ook pleegouders geven aan dat zij de problemen die hun pleegkinderen op deze gebieden ervaren, niet kunnen rapporteren in bestaande screeningsinstrumenten. Het risico bestaat dus dat deze problemen ongezien en onbehandeld blijven. Om screening en monitoring van Nederlandse pleegkinderen te verbeteren, hebben we onderzoek gedaan naar de ‘Brief Assessment Checklist’ (BAC), een screeningsinstrument dat specifiek ontwikkeld is voor uithuisgeplaatste kinderen. Deze veelbelovende vragenlijst schenkt expliciet aandacht aan trauma- en hechtingsproblematiek. De BAC is inmiddels gratis beschikbaar voor gebruik in Nederland, zowel voor onderzoek als voor de pleegzorgpraktijk. We hopen zo pleegzorgaanbieders meer mogelijkheden te geven om de ontwikkeling van pleegkinderen systematisch in kaart te brengen en problemen tijdig op te sporen.
Anouk Goemans

Over Anouk Goemans
Anouk Goemans is 27 juni gepromoveerd aan de Universiteit Leiden op een onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen in pleegzorg. In haar proefschrift ‘The development of children in foster care’ rapporteert zij de bevindingen van dit onderzoek. In haar proefschrift benadrukt zij het belang van screening en monitoring van pleegkinderen. Dit is een van de onderwerpen waar zij zich de komende periode als Universitair Docent bij de afdeling Jeugdhulpverlening verder mee bezig zal houden.


Tags: ,