Afgebroken plaatsing: altijd mislukt?

“Wanneer kun je niet verder met een kind dat aan jou is toevertrouwd?” Bij onze koffiegroep hebben vijf pleegmoeders behoefte om hierover van gedachten te wisselen. We delen overwegingen, er vloeien tranen en het wordt laat. Na afloop zegt een pleegmoeder: “Wat een worstelingen vanavond. Zo wezenlijk, zo kwetsbaar. Fijn dat we dat met elkaar kunnen delen.”

De pleegmoeders noemden diverse redenen om te stoppen met de zorg voor een kind. “Ik had haar niets meer te bieden”, zei de een. “Ik kon de distantie niet meer bewaren”, zei de ander. Weer anderen zeiden: “Het kind drijft mijn partner en mij uit elkaar.” “Ik durf het meisje niet met een van mijn eigen jongens alleen in huis te laten.” “We hebben een incident gehad.” “Ze kwam door mijn defensie heen; haar scheldtirades kwamen rechtstreeks binnen.” “Ik kan me niet meer honderd procent professioneel opstellen.” Een indrukwekkende lijst, uit de praktijk gegrepen.

Je hebt voor me gekozen
Veel pleeg- en gezinshuisouders kiezen er bewust voor om andermans kind op te voeden, vaak na een gedegen voorbereidingstraject. Je weet dat het niet altijd gemakkelijk zal zijn, maar je gaat er vanuit dat je het redt met liefde, tact en doorzettingsvermogen. Je hebt gesproken met familie en vrienden en hebt je keuze uitgebreid toegelicht. Daarbij komt nog dat de meeste pleegkinderen niet door hun eigen gedrag in een pleeggezin terechtkomen, maar door het gedrag van hun ouders of door sociale omstandigheden.

Toch kun je vaak niet overzien welke ellende een kind heeft meegemaakt en hoe beschadigd het kind is. Rapportages over het gezin van herkomst, voor zover te lezen door pleegouders, geven een beeld van bijvoorbeeld verwaarlozing of mishandeling. Het ene kind gaat er echter anders mee om dan het andere. Soms krijgt een kind ademruimte door een uithuisplaatsing, weet het zich te herstellen en gaat het zich ontwikkelen. Er zijn ook kinderen die nog jaren in de ellende van het gezin van herkomst meedeinen, ondanks een uithuisplaatsing. Je weet niet hoe groot de trauma’s zijn die een kind heeft opgelopen en of er sprake is van een hechtingsstoornis. Zelf heb ik tijdens heftige ruzies weleens naar mijn hoofd gekregen: “Je hebt ervoor gekozen, had je me maar niet moeten nemen.” Het is waar, maar moeilijk om te horen.

De grens bereikt
Pleegzorgbegeleider Karin Zanin noemt een aantal signalen waaraan ze merkt dat de energie in een pleeggezin opraakt. “Pleegouders hebben bijvoorbeeld veel meningsverschillen over de aanpak van problemen in huis. Ze zijn uitgeblust of hebben geen positieve gevoelens meer. Soms ontvlucht een van de pleegouders of een eigen kind het huis. Er ontstaan gezinsconflicten of er zijn voorvallen als het geven van een tik of ander grensoverschrijdend opvoedgedrag.”

Ter voorkoming van een afgebroken plaatsing steunt Karin een pleeggezin op verschillende manieren. “Ik blijf in gesprek en toon mijn betrokkenheid. Op momenten dat het spannend wordt, moet je als pleegzorgbegeleider beschikbaar zijn. We brainstormen samen over wat werkt in de aanpak of hoe we de pleegouders kunnen ontlasten, bijvoorbeeld door de inzet van een weekendgezin. Ik hoor van pleegouders dat het helpt als ik er voor hen ben en zie met welk gedrag zij worstelen. Het gaat vooral om horen en serieus nemen.”

Karin vindt het belangrijk om snel van start te gaan met psychodiagnostiek, behandeling of interventies. Ter ontlasting kan ook een pedagogisch medewerker worden ingezet. “Als een kind meer nodig heeft dan een ‘gewoon’ pleeggezin kan bieden, moet de pleegzorgorganisatie haar verantwoordelijkheid nemen”, zegt Karin. “Je kunt dan denken aan een overplaatsing naar een gezinshuis of opname in de GGZ.”

Mislukte plaatsing?
Over het algemeen wordt een afgebroken plaatsing beschouwd als een mislukte plaatsing. Uit diverse onderzoeken blijkt dat ongeveer 30 procent van de plaatsingen als afgebroken plaatsing wordt geregistreerd(1 en 2). De vraag is echter of al die plaatsingen mislukt zijn.

In de jaren 80 werd onderzoek (3) gedaan naar uithuisplaatsingen bij adoptiekinderen. Daarover werd toen alarm geslagen. Men dacht dat de uithuisplaatsingen voorgoed waren en het werden ‘mislukte plaatsingen’ genoemd. Vrijwel altijd bleek een uithuisplaatsing tijdelijk, waarbij de adoptieouders tijdens de uithuisplaatsing achterwacht bleven en weer met het kind verder konden gaan als het zover was.

Thies
Jan en Marieke zorgen voor Thies sinds hij twee jaar was. Thies was toen al behoorlijk beschadigd. In de eerste jaren van de plaatsing trokken zijn laagbegaafde ouders veel aan Thies. Ze wilden niet dat hij in een pleeggezin woonde. Sinds zijn twaalfde willen zijn ouders geen contact meer met hem, omdat Thies hen een keer ‘rotouders’ heeft genoemd. Jan en Marieke hebben hun handen vol om Thies op het rechte pad te houden en er zijn steeds meer akkefietjes: jatwerk, vernielingen, spijbelen, verkeerde vrienden. De twee jongere pleegkinderen worden negatief beïnvloed door Thies. Als hij bijna vijftien is, wordt besloten dat Thies beter in een gezinshuis kan wonen. Hij blijft wel welkom in het pleeggezin. Jan helpt hem telkens weer met het repareren van zijn fiets en scooter. Marieke neemt hem af en toe mee naar de stad om ondergoed en sokken aan te vullen. Hij is welkom op verjaardagen en met de feestdagen. Als er opeens een heleboel telefoonabonnementen op zijn naam staan, helpen Jan en Marieke om de puinhoop op te lossen. Als de vader van Thies overlijdt, gaan Jan en Marieke vanzelfsprekend mee naar de begrafenis.

Nieuwe definitie afgebroken plaatsing
Is dit een afgebroken plaatsing of hebben Jan en Marieke net op tijd de knoop doorgehakt door te stoppen met de opvoeding van Thies? Ze sloten Thies in hun hart en laten hem niet in de steek, maar hij kan niet meer bij hen in huis wonen.

“Om beter zicht te krijgen op de aard en omvang van het probleem van afgebroken plaatsingen hebben de pleegzorgorganisaties, die samenwerken onder de noemer Pleegzorg Nederland, vorig jaar de definitie van breakdown aangescherpt”, vertelt Janette Reukers, voorlichter van Pleegzorg Nederland. “De definitie is nu: ‘beëindiging van een pleegzorgplaatsing die niet gepland en niet gewenst is.’ Daarbij zijn de afspraken zoals vastgelegd in het hulpverleningsplan leidend. Als een crisisplaatsing verlengd wordt, moeten nieuwe doelen weer vastgelegd worden. Dan gelden steeds de meest actuele afspraken.”

Alle pleegzorgorganisaties registreren met ingang van dit jaar de breakdowns volgens de nieuwe definitie. Het is de bedoeling dat hierover voor het eerst wordt gerapporteerd in de Factsheet pleegzorg 2017. De definitie geeft ruimte om een positiever beeld van de resultaten van pleegzorg te laten zien. Als het hulpverleningsplan tijdig wordt aangepast, kunnen veel meer plaatsingen met goed gevolg worden afgerond en zal het aantal afgebroken plaatsingen drastisch kunnen afnemen. Of het probleem van de vele overplaatsingen hiermee afneemt is de vraag. Meer overplaatsingen betekent toch meer kans op psychopathologie bij kinderen, zo laat onderzoek (4) zien. Hier zal opnieuw onderzoek naar gedaan moeten worden, omdat de cijfers niet meer te vergelijken zijn.

Relatie met het kind behouden
Kinderen met ernstige (hechtings)problemen die vastlopen in hun pleeggezin, kunnen soms beter een periode elders gaan wonen. Vooral als pleegouders lang voor hun pleegkind hebben gezorgd, is het zaak om met de dagelijkse zorg te stoppen voordat de soms broze relatie die in die tijd is opgebouwd, stukgaat. Dat is, in mijn ogen, geen afgebroken plaatsing, maar handelen uit professionaliteit en compassie. Zo’n moeilijke beslissing neem je met het oog op het welzijn van het kind. Het is dan wel belangrijk dat de relatie met het kind op lange termijn intact blijft.

Bij adoptieouders is het helder dat ze verantwoordelijk blijven voor hun kind tot de achttiende verjaardag en financieel tot het eenentwintigste jaar. Bij pleegouders ligt dat anders. Als een pleegkind uit het pleeggezin geplaatst wordt, hebben pleegouders niets meer over het kind te zeggen. Het enige is, dat ze omgangsrecht kunnen eisen bij de rechter.

Wil je verantwoordelijk blijven voor je pleegkind, ook nadat het elders is gaan wonen? Dat kan  alleen door pleegoudervoogdij aan te vragen, ruim voordat je op het punt komt van een mogelijke uithuisplaatsing. Pleegouders die pleegoudervoogdij hebben, blijven tot het achttiende jaar verantwoordelijk voor het wel en wee van hun pleegkind, ook als het tijdelijk niet bij hen kan wonen. Financieel is dit voor pleegouders niet aantrekkelijk, maar voor een pleegkind kan het belangrijk zijn om het commitment van pleegouders te voelen. Het kind wordt niet afgewezen, maar de pleegouders kunnen het kind op dit moment niet bieden wat het nodig heeft. De relatie met het pleegkind blijft zo hopelijk in stand.

Je kunt wel op allerlei manieren contact houden met je pleegkind, bijvoorbeeld door elkaar te bezoeken op verjaardagen, naar sportwedstrijden te gaan kijken, elkaar te volgen op Facebook of weekendpleegzorg te doen. Ook kun je een veilige thuisbasis bieden waar het kind kan ‘landen’ en vertrekken, afhankelijk van zijn behoeften. Dit laatste is vaak nog jaren nodig.

Falen als pleegouder?
Is stoppen met een pleegkind hetzelfde als falen als pleegouder? Er is veel wijsheid nodig om te besluiten dat jij een kind in een bepaalde levensfase niet kunt bieden wat het nodig heeft en dat een ander de klus beter van je kan overnemen, voordat de broze relatie de je hebt opgebouwd stukgaat. Je laat het kind niet los, maar gaat het anders vasthouden.

Van de pleegouders van de koffiegroep is één gezin gestopt. Hun pleegdochter zal in een ander pleeggezin opgroeien. Bij een ander gezin is het kind van school gewisseld, waarmee veel problemen zijn opgelost. Een ander kind is naar een kamertrainingscentrum verhuisd en doet het na wat startstrubbelingen niet slecht. De gezinshuisouder heeft besloten te stoppen met het gezinshuis. De meeste kinderen wonen nu elders, maar zien hun gezinshuismoeder nog regelmatig.

(1) Plaatsing afgebroken, plaatsing mislukt? Jolanda Stellingwerff, Mobiel 2, 2010.
(2) Breakdown Pleegzorg ‘Retrospectief onderzoek naar invloedrijke factoren Onderzoeksrapport Entréa (2014).
(3) Hoksbergen, R.A.C., Spaan, J. J.T.M., & Waardenburg, B. C. (1988). Bittere ervaringen: Uithuisplaatsing van buitenlandse adoptiekinderen.
(4) Verhulst, F.C. (2000). Internationally adopted children: The Dutch longitudinal adoption study. Adoption Quarterly, 4(1), 27-44. Oosterman, M. et al. (2007). Disruptions in foster care: A review and meta-analysis. Children and Youth Services Review, 29(1), 53–76.


Tags: ,