Negen keer getekend

Vanaf mijn dertiende stapelden de diagnoses zich op. In totaal kreeg ik er negen, waaronder terugkerende depressies met suïcidale uitingen, anorexia en boulimia nervosa, een dissociatieve stoornis en twee persoonlijkheidsstoornissen. Met name van die laatste twee, te weten borderline en de vermijdende persoonlijkheidsstoornis, zou ik nooit meer af komen, aldus de hulpverleners. Ik moest ermee leren leven.

Slechte dochter
Onze ouders hielden van ons. Mijn broer en ik werden als kind nooit geslagen en evenmin werd er ruziegemaakt. Als mijn moeder boos op me was, uitte ze zich in stilzwijgen. Ze praatte soms dagenlang niet tegen me. Als ik vroeg wat ik verkeerd had gedaan, keek ze me enkel verwijtend aan. Mijn vader wist dat niet, daar hadden we het niet over. Toen ik wat ouder was, ging het zwijgen van mijn moeder over in huilen, eveneens dagenlang. Dan zocht ze troost bij mij en vertelde ze dat ze tegen een boom wilde rijden. Ik was dertien en ik voelde me zwaar tekortschieten.

Vanwege de vele problemen thuis, dreigde een uithuisplaatsing van mijn broer en mij. Mijn vader voorkwam die door de sloten in huis te vervangen toen mijn moeder er niet was. Zo zette hij haar uit huis. Ze trok bij mijn oma in en de bemoeienis van jeugdzorg waaide over.

Mijn moeder had het zwaar. Ze zocht me regelmatig op en wilde dan praten over haar verdriet. Omdat ik niet wist hoe ik haar kon helpen, ontweek ik haar zoveel mogelijk. Dat deed haar pijn, waardoor ik me een nog slechtere dochter voelde. Ik werd slapeloos en begon steeds meer klachten te ontwikkelen.

Toen kreeg mijn vader kanker. Tijdens mijn opnames voor mijn eetstoornis en depressies, onderging hij zware chemokuren. In de weekenden moest ik naar huis, naar mijn doodzieke vader. We cijferden allebei onze eigen problemen weg en maakten ons druk om elkaars gezondheid. Terwijl wij ruzie maakten over mijn eetpatroon, zwierf mijn broer door de stad en wist ik dat mijn moeder dag en nacht hetzelfde computerspelletje speelde in een kamertje dat blauw zag van de sigarettenrook.

Moederfiguur
Op mijn zeventiende overleed mijn vader en kwam ik in een groot pleeggezin terecht. Voor het eerst kwam ik uit de sfeer van ziekte en dood en kon ik me redden zonder nieuwe opnames in psychiatrische ziekenhuizen.

In het pleeggezin was het levendig, maar met twaalf getraumatiseerde kinderen onder de hoede van één pleegmoeder kon ik mijn eetstoornis vrij spel laten. Aan therapie had mijn pleegmoeder een broertje dood: ze noemde mijn eetstoornis een vorm van aandachttrekkerij. Deelnemen aan het normale leven was volgens haar de beste therapie. Ik vond mijn pleegmoeder sterk. Ze wist alles en zolang ik deed wat zij deed, zou het goed komen. Ik had een enorme behoefte aan een volwassene die me de weg wees. Ik overleefde, maar niet veel meer dan dat, bleek al gauw.

Zelfstigma
Ik ben een egoïst. Ik stel me aan. Ik ben slap. Ik heb geen doorzettingsvermogen. Ik ben saai. Ik doe anderen pijn. Ik ben mislukt. Ik ben niks waard. De wereld is beter af zonder mij.

Van jongs af aan speelden deze gedachten door mijn hoofd. Met elke tegenslag en met elke nieuwe diagnose kwamen ze sterker naar de voorgrond. Ze stuurden mijn leven. Een eigen mening had ik niet. Mijn gedrag was erop gericht te zorgen dat de ander mij zou accepteren. Wanneer ik onenigheid met iemand had, zag ik geen andere optie dan het contact te verbreken, zoals ik ook al jaren bij mijn moeder deed. In het pleeggezin had ik geleerd dat mijn eetstoornis een vorm van aanstelleritis was. Waarom deed ik dat ook eigenlijk, dat voortdurende braken? Omdat ik een slappeling was, natuurlijk!

Het hebben van een eetstoornis en een depressie was al zwaar. De oordelen die ik over mezelf had en die ik zo nu en dan ook vanuit mijn omgeving hoorde, maakten het haast onmogelijk om te functioneren.

Belemmerd door zelfverachting
Tijdens mijn studie ontmoette ik mijn grote liefde. Een tijdlang leefde ik op een wolk: wat hadden we het goed samen! Maar met het aangaan van een serieuze relatie gingen alle alarmbellen in mijn lichaam af. Na een halfjaar hield mijn lichaam simpelweg op met slapen en een jaar later stortte ik uitgeput opnieuw de wereld van de psychiatrie in. Nu was het mijn vriend die ik pijn berokkende. Nu deed ik hem verdriet. Ik vond mezelf zo mislukt, dat ik herhaaldelijk tegen hem zei dat hij bij me weg moest gaan om een léuke vriendin te zoeken. Hij liet zich niet zomaar weg sturen. Daar begreep ik niets van en het maakte me onzeker: waarom verbrak hij niet gewoon het contact, zoals ik het zelf wellicht zou doen?

Ondertussen wisselde intensieve dagbehandeling zich af met verschillende crisisopnames. Als de pijn te dichtbij kwam of de somberheid te zwaar werd, ondernam ik een suïcidepoging en kwam ik een poosje op de gesloten afdeling terecht. Ik schaamde me: zelfs doodgaan kon ik niet. Ik werd steeds meer een draaideurpatiënt. Mijn pleegmoeder was ongerust. Haar manier om mij te helpen was om telkens te zeggen dat ik moest ophouden met die psychiatrische onzin en dat ik me bij elkaar moest rapen. Dat wilde ik maar al te graag, maar het lukte niet. Op den duur durfde ik niet meer naar haar toe te gaan, bang voor een nieuwe confrontatie met mijn onkunde.

Mijn zelfverachting stond herstel in de weg. Ik kreeg er diagnoses bij en het zoveelste antidepressivum werd bij me uitgeprobeerd. Waarom eigenlijk? Waarom moest ik met alle geweld leven, terwijl het overduidelijk was dat ik alleen op de wereld was gezet om leed te veroorzaken? De psychiater van de crisisdienst zat met de handen in het haar en zei dat ze niet meer wist wat ze met me aan moest.

Geloof in mij
Toch bleven andere mensen in mij geloven. Een van de hulpverleners bleef me op een liefdevolle manier uitnodigen te onderzoeken of het wel klopte dat ik zo slecht was. Een paar vriendinnen kwamen me regelmatig opzoeken, al was het maar om een stukje te wandelen. Mijn vriend bleef bij me, hoe hard ik hem ook probeerde weg te duwen. Terwijl ik er lang van overtuigd was dat zijn ouders hem stiekem een betere vriendin toewensten, lieten ze mij regelmatig weten hoe naar ze het vonden dat ik zo ongelukkig was. De vele kaarten die ik van hen kreeg waren zonder oordeel, zonder druk en zonder verwachtingen. Ik wist niet wat me overkwam: het leek wel of deze mensen mij goed vonden zoals ik was.

Van overleven naar leven
Na een aantal maanden in crisistoestand kreeg ik voor het eerst in mijn leven medicijnen waarvan ik kon slapen. Dat was de eerste stap van óverleven naar léven. Ik werd minder labiel en begon van de behandeling te profiteren. Zo ontdekte ik dat ik geen slappeling was, maar dat ik mijn eetstoornis al die jaren nodig had gehad om een gevoel van controle te ervaren. Ik begon in te zien hoe mijn leven was getekend door slapeloosheid en depressies en hoe verdrietig het was dat mijn ouders er niet voor me hadden kunnen zijn. Ik begon te geloven dat sommige mensen te vertrouwen zijn. En soms geloofde ik zelfs eventjes dat ik misschien best oké was.

Diagnoses versus trauma’s
Bijzonder genoeg stond in de vele rapporten die van mij zijn bijgehouden nooit dat ik misschien wel last had van jeugdtrauma’s. Het bleef steken bij de vele diagnoses. Die waren op mij van toepassing en stonden los van mijn leefomgeving. Soms werd wel genoemd dat ik uit een problematisch gezin kwam, maar de behandelingen waren steevast gericht op mijn problemen. Het feit dat ik niet beter werd, rekende ik mezelf aan. “Je moet wel beter willen worden”, hoorde ik elke keer. Maar ik had mijn eetstoornis nog nodig, net als mijn vluchtgedrag. En ik bleef dissociëren(1) bij spannende situaties.

Veilige traumaverwerking
Tegen de tijd dat ik redelijk stabiel was, ging ik met ontslag. Ik was er echter nog niet: ik gebruikte nog veel medicijnen en raakte snel uit balans. Ik zocht en vond een fantastische psychologe die mij verder wilde helpen. Ze nam de tijd: pas na een jaar durfden we het allebei aan om EMDR toe te passen. We maakten samen een noodplan voor als ik ging dissociëren tijdens of na de behandeling. Zo had ik iets om op terug te vallen. Het was zwaar, maar we deden het samen. Pas na deze behandelingen begon mijn leven aangenaam te worden. De dissociatie verdween langzaam uit mijn systeem. Gebeurtenissen uit het heden die leken op wat mij vroeger was overkomen, overspoelden me niet langer. Ik kon mijn eetstoornis loslaten en durfde een conflict te beslechten in plaats van ervan weg te lopen. En ik ben getrouwd met mijn grote liefde.

Normale reactie op een abnormale situatie
Als ik terugkijk op mijn verhaal, zie ik geen raar of mislukt kind meer. Ik zie een kind dat gedrag ontwikkelde om te kunnen overleven in een gevaarlijke wereld. Ik kon dit gedrag pas gaan loslaten toen ik er beetje bij beetje vertrouwen in kreeg dat de mensen die ik nu om mij heen had, mij liefhebben, steunen, zien en accepteren. Keer op keer.

(1) Bij dissociatie verliest iemand in meerdere of mindere mate het bewuste contact met zichzelf of de omgeving. Dit kan een gevoel van vervreemding of onwerkelijkheid oproepen. (Vandereycken, 2011).

De gebruikte foto is een stockfoto.


Tags: , ,