Stigma en zelfstigma: twee ondergeschoven kindjes

Bijna de helft van alle Nederlanders krijgt te maken met een psychische aandoening, zoals een depressie, angststoornis of borderline. Toch rust hierop een groot taboe. Mensen met een psychische aandoening worden vaak gediscrimineerd en krijgen te maken met vooroordelen, zoals ‘Ze zijn gevaarlijk’, ‘Ze zijn onvoorspelbaar’ of ‘Het is hun eigen schuld’. Ook wordt vaak ten onrechte gesteld dat de psychische aandoening chronisch is. Dit negatieve stempel wordt stigma genoemd.

Door stigma heeft iemand naast zijn stoornis ook nog te maken met vooroordelen óver die stoornis. Dat kan leiden tot uitsluiting. Stigma kan veel leed veroorzaken en herstel in de weg staan. Wanneer iemand deze vooroordelen ook op zichzelf gaat toepassen, is er sprake van zelfstigma. Binnen de hulpverlening is nog weinig aandacht voor de schadelijke gevolgen van stigma en zelfstigma; het zijn ondergeschoven kindjes van de geestelijke gezondheidszorg.

Hoe ontstaan stigma en zelfstigma?
Als kinderen opgroeien, krijgen ze ideeën mee van de mensen in de thuissituatie en de omgeving. Die mensen zullen ideeën hebben over psychische aandoeningen, ook al zijn ze er weinig bekend mee. Door onwetendheid liggen stereotiepe gedachten op de loer. Kinderen kunnen zo negatieve overtuigingen ontwikkelen over mensen met een psychische aandoening.

Als een kind zelf te maken krijgt met een psychiatrische diagnose, kan het de eigen of verworven vooroordelen op zichzelf gaan toepassen en is er sprake van zelfstigma (Zelst, van & Delespaul, 2016, p. 100). Stigma en zelfstigma hangen dus sterk met elkaar samen.

Stigma manifesteert zich niet alleen bij psychische aandoeningen. Zo hebben allochtone mensen te maken met stigmatiserende ideeën over ‘die buitenlanders’. Ook mensen in de bijstand hebben vaak last van stigma en zelfstigma. In een maatschappij waar individualisme en zelfontplooiing hoog in het vaandel staan, wordt een uitkeringsgerechtigde al gauw als ‘mislukt’ bestempeld.

Diagnose ‘pleegkind’
Evenzo kan het woord ‘pleegkind’ stigmatiserend zijn. Ga maar eens na: ‘Pleegkinderen zijn getraumatiseerd,’ ‘Pleegkinderen hebben een hechtingsstoornis’, ‘Pleegkinderen zijn moeilijk’, ‘Hun ouders deugen niet’. Het wordt vaak al gedacht voordat er signalen zijn die er daadwerkelijk op wijzen.

Het klopt dat sommige pleegkinderen een hechtingsprobleem hebben of moeilijk gedrag vertonen. Wanneer dit echter wordt gezien als kenmerk van ‘het pleegkind’, is er sprake van stigmatisering. Door de wisselwerking tussen stigma en zelfstigma kan het pleegkind hier erg onder lijden. In contact met anderen of in stilte.

Voorbij de stoornis
Iedereen bekleedt een aantal rollen in het leven. Zo kan één persoon de rol hebben van verzorger, lerares, huisvrouw en hardloopster. Ook een kind bekleedt steeds meer rollen in de loop van de tijd. Het kind is zoon, leerling, voetballer en misschien wel redacteur van de schoolkrant. Ook heeft iedereen bepaalde eigenschappen. Iemand kan sociaal, integer, attent of vrolijk zijn.

Als er sprake is van stigmatisering, worden deze rollen en eigenschappen als het ware vergeten: het enige wat overblijft, is ‘dat meisje dat zichzelf snijdt’, ‘die borderliner’ of ‘die jongen met die hechtingsstoornis’.

Gevolgen van zelfstigma
Zelfstigma leidt onder andere tot minder hoop, een lager gevoel van eigenwaarde en minder zelfvertrouwen. Ook kan het zijn dat het kind de stoornis geheim probeert te houden voor de omgeving (Zelst, van & Delespaul, 2016, p. 100). Dit kan erg schadelijk zijn. Onderzoek toonde aan dat ‘verborgen’ stigma een constante bron kan zijn van psychisch leed, dat kan leiden tot ernstige lichamelijke klachten. Men spreekt dan wel van ‘the hidden costs of hidden stigma’ (Weeghel, van, Pijnenborg, Kienhorst, & Veer, van ‘t, 2016, p. 25).

Praat erover!
Als je het vermoeden hebt dat jouw pleegkind last heeft van stigma of zelfstigma: praat erover, met een open, nieuwsgierige houding. Noem daarbij de verschillende rollen die het kind bekleedt en benadruk zijn of haar mooie eigenschappen. Laat het kind zien dat het meer is dan ‘pleegkind’ of zijn stoornis. Vind je het moeilijk om het gesprek aan te gaan? Vraag om hulp, bijvoorbeeld bij Stichting Samen Sterk zonder Stigma.

*********************************************************************************

Waar zit jouw stigma?
Iedereen stigmatiseert weleens, want iedereen heeft vooroordelen. Vooroordelen zorgen ervoor dat je op je hoede bent bij mensen of situaties die erg verschillen van wat jij gewend bent. Zo kun je jezelf beschermen. De keerzijde is dat je de ander daarmee tekort kunt doen. Het is goed om je hiervan bewust te zijn, zodat je bij elke situatie kan nagaan of je stigmatiseert of niet.

– Wat voor gedachten komen bij je op als je denkt aan het woord ‘pleegkind’? Hoe reageert je omgeving?

– Hoe denk je over psychische aandoeningen? Herken je vooroordelen zoals genoemd in dit artikel?

– Doe samen met je pleegkind de zelfstigmatest om te onderzoeken in hoeverre er sprake is van zelfstigma.

Anniek Lemmens is ambassadeur van Samen Sterk zonder Stigma


Tags: ,