Naar de rechtbank

Vraag van pleegvader Fred:

“Onze pleegzoon Justin (3 jaar) staat onder toezicht en woont ruim een jaar bij ons. Zijn moeder wil graag weer voor hem zorgen. Wij hebben onze twijfels of haar persoonlijke situatie voldoende is verbeterd om weer voor Justin te kunnen zorgen. De machtiging tot uithuisplaatsing duurt nog vier maanden. De gezinsvoogd  is niet duidelijk over de koers. Hierdoor blijven wij, en ook Justin, in onzekerheid. Wat kunnen we doen om duidelijkheid te krijgen?”

Antwoord van Mariska:

“U schrijft dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog vier maanden duurt. Dit betekent dat de gecertificeerde instelling (lees: jeugdzorg, de gezinsvoogd) acht weken voor het einde van de machtiging tot uithuisplaatsing een verzoek tot verlenging van de machtiging moet indienen bij de rechtbank. Als de instelling vindt dat de machtiging niet verlengd hoeft te worden, betekent dit feitelijk dat zij vindt dat tot thuisplaatsing van Justin kan worden overgegaan. Maar omdat u langer dan een jaar voor Justin zorgt, mag de gecertificeerde instelling dit niet zomaar doen. Zij moet eerst van de kinderrechter toestemming verkrijgen om Justin over te mogen plaatsen. Dit is omdat hij langer dan een jaar in uw gezin woont en er een ondertoezichtstelling is.

Verzoekschrift
De gecertificeerde instelling moet een verzoekschrift indienen bij de rechtbank om toestemming te krijgen. Er komt dan een zitting bij de kinderrechter waarvoor u ook wordt uitgenodigd, omdat u langer dan een jaar voor Justin zorgt. U bent dan officieel belanghebbende. Dit betekent dat u ook een afschrift van de stukken krijgt, dat wil zeggen het verzoekschrift van de instelling, het plan van aanpak en de rapportage.

Op de zitting
Op de zitting kunt u uw standpunt aangeven. Ook moet de gecertificeerde instelling de Raad voor de Kinderbescherming schriftelijk op de hoogte stellen als zij geen verzoek  tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wil gaan indienen. De Raad moet uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing door de gecertificeerde instelling schriftelijk worden geïnformeerd over het voornemen om geen verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in te dienen. De Raad beoordeelt de situatie en kan indien hij dat nodig acht zelf (dus  in plaats van de gecertificeerde instelling) een verlengingsverzoek indienen.

Plan van aanpak
Verder heeft u als pleegouders het recht om uw mening te geven over het plan van aanpak. Het plan gaat over welke doelen de gecertificeerde instelling stelt in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Dit plan moet in ieder geval eens per jaar worden opgesteld en worden bijgesteld als er belangrijke veranderingen zijn in het kader van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Een koerswijziging, bijvoorbeeld het voornemen tot een thuisplaatsing, vraagt ook om aanpassing van het plan van aanpak. Het is dus verstandig  om de gezinsvoogd te vragen om het (concept) plan van aanpak.”
Vraag van pleegkind Esther:

Esther (11 jaar): “Ik woon al vanaf dat ik twee jaar was bij mijn pleegouders. Mijn moeder is overleden. Mijn vader heeft nooit zeggenschap  gehad. Eerst lag de voogdij bij de jeugdzorg. Sinds een paar jaar hebben mijn pleegouders de voogdij over mij. Mijn broertje (10  jaar) woonde eerst ook bij mij en mijn pleegouders. Toen hij zes jaar was heeft jeugdzorg hem in een ander pleeggezin geplaatst. Mijn pleegouders waren het hier niet mee eens, maar het is toch gebeurd. Ik wil heel graag mijn broertje zien, maar de voogd van mijn broertje, die voor jeugdzorg werkt, regelt dat steeds maar niet. Wat kan ik doen?”

Antwoord van Mariska:

“Je kunt zelf aan de kinderrechter vragen om een omgangsregeling vast te stellen. Een omgangsregeling kan ook met iemand anders zijn dan de ouder(s). Het gaat dan om iemand waar je een hechte band mee hebt, zoals broertjes, zusjes, opa’s en oma’s. Met je broertje heb je natuurlijk zo’n band. Hij is familie van jou en jullie hebben samen in hetzelfde pleeggezin gewoond.

Briefje aan de kinderrechter
Jouw vraag aan de rechter om omgang met je broertje te mogen hebben heet de ‘informele rechtsingang’. Een moeilijk woord. Het betekent dat je zonder advocaat een briefje mag sturen aan de kinderrechter met jouw vraag om contact met je broertje. In het briefje kun je de situatie uitleggen en schrijven dat je je broertje graag wilt zien. Als je wilt, kunnen je pleegouders je daarbij helpen of je kunt hulp vragen aan de Kinder- en jongerenrechtswinkel.

Gesprek
Zo’n vraag aan de kinderrechter mogen kinderen vanaf 12 jaar in ieder geval stellen. Maar ook jongere kinderen mogen de rechter schrijven, als de rechter vindt dat het kind goed genoeg begrijpt waar het allemaal over gaat. Je hebt je vraag aan mij heel duidelijk opgeschreven. Ik verwacht dat de rechter vindt dat je de situatie goed genoeg snapt en je zal uitnodigen voor een gesprek. De kinderrechter zal je tijdens het gesprek op je gemak stellen. De kinderrechter praat natuurlijk vaker met kinderen over dit soort vragen.

Zitting
Na het gesprek met jou zal de kinderrechter ook andere mensen die bij jou en je broertje zijn betrokken, uitnodigen voor een ‘zitting’ . Dat is een ‘officieel gesprek’ met de rechter en de mensen die bij jou en je broertje betrokken zijn. De voogd van je broertje, zijn pleegouders en jouw pleegouders zullen voor het gesprek worden uitgenodigd. Misschien ook je broertje of andere personen zoals de pleegzorgbegeleider van je broer


Tags: ,