Gehechtheid begint in de babytijd

Baby’s ontwikkelen zich in het eerste levensjaar in een sneltreinvaart. Daar hebben ze wel de hulp van ouders of verzorgers bij nodig. Dat geldt ook voor de gehechtheidsontwikkeling. Hoe veilig de baby zich gaat voelen, is afhankelijk van de zorg en aandacht die hij krijgt.

Mensen die ooit een baby verzorgden, weten het. Waar je maar komt, buigen mensen zich over de kinderwagen en lachen of brabbelen ze naar de baby. Op kraambezoek horen jonge ouders zelden ‘nee’ als ze aan het bezoek vragen of ze de baby even willen vasthouden. Hoe komt het dat we baby’s zo aantrekkelijk vinden en heeft gehechtheid daar iets mee te maken?

Afhankelijk
Baby’s groeien en ontwikkelen zich in het eerste levensjaar in een razend tempo. Wat betreft lengte en gewicht zullen ze in hun latere leven nooit meer zo snel groeien als in dat eerste jaar na de geboorte. Ook met de verstandelijke en sociale ontwikkeling zet de baby er een flinke vaart in. Al die snelle ontwikkelingen zijn wel afhankelijk van de verzorging van volwassenen. In zijn eentje kan een baby zichzelf niet warmhouden, niet voor zijn eten zorgen en geen gevaren op afstand houden. Een baby kan zonder verzorging simpelweg niet overleven. Baby’s doen daarom hun best om de volwassenen in hun buurt te krijgen. Door te huilen, te lachen, te kraaien of te brabbelen trekken ze de aandacht van de volwassenen. En door te stoppen met huilen als ze eten krijgen of getroost worden, verzekeren ze zich van de liefdevolle zorg van hun ouder(s) of andere – vervangende – ouderfiguren.

Andermans kinderen
Sommige dieren, zoals schapen, verzorgen alleen hun eigen jongen. Net na de geboorte van de lammetjes is er een korte periode van wederzijdse herkenning en daarna zullen schapen alleen hun eigen jongen voeden. Andere dieren, zoals vosjes en muizen, zullen elk jong dat zich in hun nest bevindt, als hun eigen kind beschouwen. De pleegvosjes en pleegmuisjes krijgen dezelfde voeding en verzorging als de eigen jongen. Er zijn ook meer dan honderd vogelsoorten die voor het kroost van anderen zorgen alsof het hun eigen kuikens zijn. De mens zit er tussenin: we zorgen voor onze eigen kinderen, maar soms ook voor andermans kinderen.

Groot hoofd
Dat we het in ons hebben om voor andermans kinderen te zorgen, heeft (tenminste) twee redenen. In de eerste plaats leefden mensen vroeger in familie- of stamverband en dan was het belangrijk voor de hele groep dat ouderloze kinderen werden opgevangen. De kinderen die zo overleefden, konden de familie of stam voortzetten. Sarah Blaffer Hrdy, die jarenlang oudergedrag bij dieren en mensen observeerde, geeft nog een andere verklaring. Zij stelt dat wij baby’s aantrekkelijk vinden en daarom graag voor hen willen zorgen. We ‘vallen’ voor het grote hoofd en de grote ogen van een baby. Baby’s zijn inderdaad merkwaardig gebouwd. Als je de lichaamsbouw van een baby op de schaal van een volwassene zou maken, zou er een heel vreemde persoon voor ons staan, met een wanstaltig groot hoofd. Baby’s hebben volgens Hrdy niet voor niets zo’n groot hoofd en zulke grote ogen. Omdat wij dat ‘schattig’ vinden, lokken baby’s zo verzorging uit bij volwassenen.

Gehechtheid in aanbouw
Een pasgeboren baby is meer gericht op mensen dan op dingen, maar hij kan nog niet echt onderscheid maken tussen verschillende mensen. Dat begint na een paar maanden. De baby gaat zijn verzorgers volgen met zijn ogen, begint hen te herkennen en naar hen te lachen. Vanaf ongeveer vijf of zes maanden begint de opbouw van de eerste gehechtheidsrelatie(s). Baby’s herkennen de volwassenen die hen dagelijks verzorgen nu heel duidelijk. Ze krijgen ook een sterke voorkeur voor deze verzorgers en willen het liefst bij hen zijn om zo verzekerd te zijn van hun zorg en aandacht.

Met een maand of zeven, acht zijn veel baby’s eenkennig: ze willen niet meer door iedereen vastgehouden worden. Ook reageren ze met scheidingsangst door te gaan huilen als de verzorger even weggaat. Een heel logische ontwikkeling, want als baby weet je op die leeftijd wie jou dagelijks verzorgt en je wilt natuurlijk wel dat die persoon in de buurt blijft om dat te doen. Eenkennigheid en scheidingsangst zijn dan ook positieve tekenen van de groeiende gehechtheid van de baby. Op de leeftijd van ongeveer een jaar heeft een baby een of enkele gehechtheidsrelaties opgebouwd met zijn ouders of verzorger(s) die hij als zijn veilige basis beschouwt. Als er iets aan de hand is, zoekt de baby of peuter steun bij hen.

Babypop
Een baby die steun en troost krijgt, voelt zich begrepen en veilig. Uit wetenschappelijk onderzoek weten we dat sensitief opvoeden de sleutel is voor veilige gehechtheid. Sensitief opvoeden is het goed ingaan op het gedrag van de baby, zoals troosten bij verdriet en plezier delen bij het samen spelen. Collega’s aan de Universiteit Leiden deden onlangs een verrassend onderzoek naar sensitief opvoeden. Ze onderzochten of je met een baby-simulator sensitief opvoeden kunt meten. De speciaal geprogrammeerde babypop LISSA voelt even zwaar als een baby en net als een echte baby begint ze af en toe te huilen en heeft ze verzorging nodig. Soms is dat een nieuwe luier, soms een fles en soms wat wiegen of rondlopen.

In het verleden zijn dergelijke babypoppen wel gebruikt bij Amerikaanse tieners als een soort voorproefje op de praktijk om zo tienerzwangerschappen te ontmoedigen. De deelnemers aan het Leidse onderzoek vonden het zorgen voor de babypop heel realistisch en de onderzoekers konden zinvolle verschillen in sensitief opvoeden vaststellen. Ook bleek de sensitiviteit van moeders ten opzichte van de babypop sterk overeen te komen met de sensitiviteit ten opzichte van hun eigen (echte) baby. Verder onderzoek met de LISSA is dan ook veelbelovend. Normaal gesproken kun je sensitief opvoeden niet meten bij iemand die (nog) geen kinderen heeft; met de LISSA kan dat dus wel. Wie weet kan de babypop ooit dienst doen bij de screening of voorbereiding van pleeg- en adoptieouders?

NASCHRIFT Literatuur:

Bakermans-Kranenburg, M.J., Alink, L.R.A., Biro, S., Voorthuis, A., & Van IJzendoorn, M.H. (2015). The Leiden Infant Simulator Sensitivity Assessment (LISSA): Parenting an infant simulator as your own baby. Infant and Child Development, 24(3), 220-227.

Hrdy, S. Blaffer (2009). Een kind heeft vele moeders. Uitgeverij: Nieuw Amsterdam.

Juffer, F. & Alink, L.R.A. (2016). Adoptie en pleegzorg: Ieder kind verdient een thuis. In M.H. van IJzendoorn & L. van Rosmalen (Red.), Pedagogiek in beeld. Uitgeverij: Bohn Stafleu van Loghum.


Tags: , ,