Dagelijks struikelen

Carola van zes heeft het naar haar zin in het busje dat haar naar school brengt en weer thuisbrengt. Alles aan haar drukt pret uit: ze is luidruchtig, praat en lacht net iets te hard. “Tot morgen!” gilt ze. Ze zwaait met beide armen naar alle kinderen en de buschauffeur en valt over het treetje bij de deur van de bus.

Binnen zet ze meteen haar ‘thuismodus’ aan: ze is stil, wat bozig en geeft eenlettergrepige antwoorden op mijn vragen. Ze drinkt haar thee op, pakt iets uit de kast om te doen, omdat dat ‘moet’. Alles aan haar straalt verveling en afweer uit.

Zo is Carola: voor iedere situatie heeft ze één manier van aanwezig zijn en handelen. Zó doet ze in het schoolbusje, zó doet ze thuis. Altijd hetzelfde en dat irriteert me. Alle irritatie gaat vastzitten op een klein stukje van haar gedrag: Waarom moet ze iedere dag uit dat busje struikelen? Ik vraag aan haar waarom ze dat doet en of ze rustiger uit wil stappen. Ik zeg dat ik het vervelend vind dat ze altijd over het treetje struikelt. Uiteindelijk zeg ik dat ze ermee moet stoppen en gewoon uit moet stappen.

Dat laatste werkt! Vanaf die dag is Carola nooit meer over het laatste treetje gestruikeld.                                         <


Tags: ,