Hechtingsproblemen voorkomen bij jonge pleegkinderen

In Nederland wonen ongeveer 23.000 kinderen in een pleeggezin. Eén op de drie plaatsingen is niet succesvol. Op 17 december 2015 promoveerde Hans van Andel in Groningen op onderzoek naar een aanpak van dit probleem: de Pleeg­ouder Pleegkind Interventie (PPI). Zijn conclusie is dat PPI een veelbelovende interventie is, waarmee gehechtheids­problemen bij jonge pleegkinderen kunnen worden voorkomen.

Hechtingsproblematiek ontstaat vaak op zeer jonge leeftijd, terwijl het effect ervan soms pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld door afwijkend gedrag tijdens de puberteit of problemen wanneer iemand zelf kinderen krijgt. Hechtingsproblematiek ligt ten grondslag aan veel problemen in pleegzorg. De gevolgen zijn niet alleen belastend voor het kind zelf, maar ook voor de omgeving en uiteindelijk voor de samenleving in de vorm van overlast en kosten. Dat maakt het van groot maatschappelijk belang om interventies te ontwikkelen waarmee we de kansen voor pleegkinderen kunnen verbeteren.

Een veilige relatie
Pleegkinderen reageren soms niet goed op de zorg van pleegouders, bijvoorbeeld omdat ze veel hebben meegemaakt in het gezin van herkomst of moeite hebben om zich aan te passen aan het leven in het pleeggezin. Sommige kinderen laten duidelijk zien dat het niet goed gaat, maar er is ook een groep die zich terugtrekt. Het onderzoek(1) laat zien dat baby’s en peuters bijna altijd met teruggetrokken gedrag reageren na een plaatsing. Als pleegouders dergelijk gedrag niet herkennen als signaal en niet op waarde schatten, kan de relatie gemakkelijk verstoord raken. Dan voelt het kind zich niet gekend en begrepen, wat het gevoel van veiligheid niet ten goede komt. De PPI kan bij aanvang van een plaatsing worden ingezet om een veilige relatie tussen pleegouder en pleegkind te bevorderen.

De PPI is een preventieve interventie die wordt toegepast door de pleegzorgwerker. Tijdens tweewekelijkse huis­bezoeken werken de pleegzorgwerker en de pleegouders volgens een protocol aan een veilige en sensitieve relatie met het kind. Daarbij versterken de pleegouders hun ouderschapsvaardigheden. Ook ontwikkelen ze een visie op de omgang met het kind en leren ze sensitief op het kind te reageren en te reflecteren op hun eigen rol als pleegouder.

Zes huisbezoeken
De PPI bestaat uit zes huisbezoeken bij het pleeggezin thuis(2). Het pleegkind, de pleegzorgwerker en minstens één, maar bij voorkeur beide pleegouders zijn aanwezig. Elk huisbezoek heeft een thema en is gericht op het ontwikkelen van specifieke vaardigheden:
• Wie is mijn pleegkind? Observeren en accepteren van de gevoelens van het pleegkind.
• Hoe kan ik veilig zijn (voor het kind)? Aandachtig zijn, waardoor je rust uitstraalt en openstaat voor de inter­actie met het kind.
• Hoe kan ik troosten bij woedebuien en afwezig voelen? Kalmeren en repareren.
• Hoe reageert mijn pleegkind? Observeren van tekenen van onveiligheid en trauma.
• Hoe kan ik vertrouwen geven? Helpen en opletten, waardoor het kind veiligheid en vertrouwen ervaart in de relatie.
• Hoe gaat de rest van mijn gezin om met het kind en wat zijn mijn eigen valkuilen? Samenwerken binnen het eigen gezin en met de biologische ouders.

Onderzoek naar effectiviteit
In de praktijk zagen de gebruikers dat de aanpak succes had, maar het is van groot belang om ook wetenschappelijk te onderzoeken wat het effect is van de interventie. Uit het onderzoek naar de effectiviteit van PPI blijkt dat pleeg­ouders die de interventie hebben gevolgd, sensitiever reageren op hun kind, beter structuur bieden en zich minder opdringen in het contact in vergelijking met pleegouders die gewone pleegzorgbegeleiding volgden. De pleegkinderen in de PPI-groep reageren actiever op de pleegouder. We zien in het contact dat de kinderen gerichter en vaker de pleegouder aankijken en dat de pleegkinderen de pleeg­ouders uit zichzelf opzoeken om getroost te worden nadat ze zich hebben bezeerd.
Pleegouders voelen zich beter voorbereid op hun taak als pleegouder van dit specifieke kind. In de opvoeding maken we onderscheid tussen fysieke en emotionele beschikbaarheid. Een pleegouder kan fysiek of praktisch beschikbaar zijn, terwijl jij als hulpverlener het idee hebt, dat deze er niet helemaal bij is. Het kind praat over pijn of verlangens en de pleegouder lijkt het niet te horen. Als baby hebben we emotionele beschikbaarheid hard nodig, ook als voorwaarde voor een goede hechting.

Het vergroten van de emotionele beschikbaarheid van de pleegouders en het versterken van hun ouderschapsvaardigheden en zelfvertrouwen verbetert de relatie tussen pleegouders en pleegkind. Een verbeterde relatie heeft tot gevolg dat het kind zich veilig voelt. Dit blijkt ook doordat het kind meer actief is in de interactie met de pleegouder.

Beloftevolle interventie
Het promotieonderzoek laat zien dat de PPI een veel­belovende interventie is, gericht op het voorkomen van hechtingsproblemen bij jonge pleegkinderen.
Het misgaan van een pleegzorgplaatsing betekent een grote teleurstelling voor de pleegouders en heeft een grote impact op het leven van een kind. Het vaststellen van een kwalitatief betere relatie tussen pleegouder en pleegkind is zeer waardevol.
De PPI is door het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) erkend als goed onderbouwde interventie.
De effectiviteit van de PPI werd wetenschappelijk onderzocht aan de universiteit Groningen door Hans van Andel, Hans Grietens, Erik Knorth en Rutger Jan van der Gaag.
Hans van Andel is werkzaam als directeur en kinder- en jeugdpsychiater bij Stichting Jeugdggz, onderdeel van de Dimence Groep.

In Mobiel werd eerder gepubliceerd over PPI: Mobiel1 2010, Mobiel 6 2011, Mobiel 5 2012.

(1) Van Andel, H. W. H. (2015): Helping Infants and toddlers in Foster Family Care (proefschrift). Groningen: Rijksuniversiteit.
(2) Marilene de Zeeuw, Carla Brok en Hans van Andel (2015). Preventieve Interventie voor Pleeg- en Adoptieouders bij jonge kinderen met een problematische gehechtheid, Nieuwe Ouder-Kind Relaties (BSL), ISBN 9789036807562 (handboek); 9789036807586 (werkboek)

======
KADER
======

Wat kost het?
De methodiek kan worden uitgevoerd binnen de reguliere pleegzorgbegeleiding. Kosten zijn de aanschaf van de interventie­beschrijving ‘Handboek preventieve interventie voor pleeg- en adoptieouders bij jonge kinderen met een problematische gehechtheid’ en het bijbehorende werkboek. Kosten van scholing en mogelijke supervisie worden vastgesteld in overleg met de auteurs van het hand- en werkboek.
Voor de geïnteresseerde pleegouder is het handboek ook een goede manier om je verder te verdiepen in je pleegkind.

Auteur: Hans van Andel


Tags: ,